Interview Cubaanse Ambassadeur: Fermín Quiño­nes Sánchez 

Cuba-Ambassador-Fermin-Quinones-598x420

Cuba-Ambassador-Fermin-Quinones-598x420

1. U bent nu al één jaar ambassadeur hier in Neder­land, nadat u 10 jaar geleden ook al een functie aan de ambassade in Nederland had. Wat wilt u kwijt over uw verblijf hier nu?

Fermín: Terugkomen naar Nederland is een grote kans, niet alleen voor mij persoonlijk, maar voor elke diplomaat is het een goede gelegenheid om terug te keren naar het land waar hij/zij ooit zijn/haar diplomatieke carrière begon. Ik heb hier veel vrienden gemaakt, en ook veel bilaterale en multi­laterale ervaring opgedaan. Ik heb ook zeer veel positie­ve contacten met de solidariteitsbeweging (voor Cuba) hier in Nederland.

De relatie tussen de Cubaanse en de Nederlandse regering is de afgelopen jaren beter geworden. We werken er hard aan om op verschillende terreinen onze samenwerking voort te zetten en te versterken. Dit nieuwe scenario heeft mij de kans gegeven om te helpen met het versterken en verbeteren van de betrekkingen tussen onze landen. Dit is een grote uitdaging: er is een hoop werk te doen na enkele jaren van laag profiel.

Er vonden twee bezoeken plaats van twee verschillende ministers van Buiten­landse Zaken van Nederland in minder dan 1,5 jaar tijd. Het bezoek van voor­malig minister Frans Timmermans in 2014 was zeer positief. Dit was de eerste keer dat een minister van Buitenlandse Zaken uit Nederland Cuba be­zocht. Het bezoek werd later herhaald door (huidig) minister van Buiten­landse Zaken, Bert Koenders. Beide bezoeken werden zeer gewaardeerd door het Cubaanse volk en de Cubaanse regering.

Er is dus een hoop werk aan de winkel, maar wij zijn meer dan bereid om zaken, investeringen en samenwerking te promoten. Het is goed dat de Neder­landse regering op dezelfde lijn zit, wat onze banden zeker ten goede zal komen.

2. Het is een spannende tijd voor Cuba nu: wereldwijd, op Europees gebied, en ook met betrekking tot de relaties tussen Cuba en Nederland. We zien hierbij het ontplooien van samenwerking, in het bijzonder in de handel.

Fermín: Dit zijn zeer belangrijke tijden voor de buitenlandse betrekkingen van Cuba. De situatie laat ons zien dat Cuba nooit echt geïsoleerd is ge­weest en altijd veel steun heeft gekregen. Een overweldigende meerderheid van de internationale gemeenschap steunt elk jaar de eis de blokkade van de VS tegen het Cubaanse volk te beïndigen, en de solidariteit met Cuba is toegeno­men.

Cuba bevindt zich in een nieuwe fase wat betreft zijn relaties met de EU. Cuba heeft op meer­dere momenten zijn bereidheid getoond om hierin vooruit­gang te boeken. Nu is het tijd om door te gaan met het opbouwen van een goede relatie met de EU. Eén van de grootste hindernissen in deze relatie is de onrechtmatige Common Position van de EU ten opzichte van Cuba. Cuba heeft deze Common Position nooit geaccepteerd als basis voor samenwerking en verhouding tot het blok. De Common Position heeft bewezen een onbruik­baar instrument te zijn, omdat Cuba niet heeft toegelaten zichzelf van de wereld te isoleren. Dit was een politiek vol van tegenstrijdigheden.

Zoals bekend zijn Cuba en de EU aan het onderhandelen over de ‘Overeenstem­ming over Politieke Dialoog en Samenwerking’ die de leidraad moet zijn voor de verhouding tussen beide zijden. Enkele besprekingen hebben al plaatsge­vonden en beide zijden willen dit proces zo snel mogelijk gaan afsluiten. De dialoog heeft plaatsgevonden op een respectvolle en constructieve ma­nier, en wij gaan er vanuit dat dit zo blijft tot het einde van de onder­handelingen.

Voor veel Europese landen kan het nauwer samenwerken met Cuba belangrijk zijn voor verschillende sectoren: Cuba kan een belangrijke handels- en investeerderspartner zijn vanwege zijn strategische ligging op allerlei verschillende aspecten zoals economie, defensie, etc.

3. Kunt u ons wat vertellen over de actuele ontwikkelingen in de onderhan­delingen tussen Cuba en de VS na de besprekingen in Panama?

Fermín: Op 21 mei begon de derde ronde van onderhandelingen tussen Cuba en de VS. Het belangrijkste is dat er een nieuw momentum is gecreëerd om de ban­den tussen onze landen te herstellen en te repareren. Het herstellen van re­la­ties tussen onze landen betekent echter niet dat de relaties tussen de twee landen genormaliseerd zijn: de relaties tussen onze landen zijn nooit ‘normaal’ geweest als zodanig. Het zal tijd kosten om een normale verhou­ding te hebben. Eerst moeten enkele zaken opgelost worden, zoals:

– Het onvoorwaardelijk opheffen van de economische, commerciële en finan­ciële blokkade.

– Het teruggeven van ons grondgebied dat illegaal is bezet door de Guan­tánamo Marinebasis.

– Het staken van radio en tv-uitzendingen en van subversieve en destabili­sa­tieprogramma’s tegen ons eiland.

– Compensatie voor het Cubaanse volk voor de schade die de mensen en de economie is aangedaan en waar we nog steeds onder lijden.

Het is duidelijk dat het opheffen van de blokkade de grootste prioriteit heeft en omdat de blokkade nog van kracht is zullen wij doorgaan met het aanbieden [aan de Algemene Vergadering van de VN, nvdr] van onze conceptre­solutie genaamd ‘De Noodza­kelijkheid van het beëindigen van het Economi­sche, Commerciële en Finan­ciële Embargo, opgelegd door de Verenigde Staten van Amerika, tegen Cuba’ die elk jaar gepresenteerd wordt aan de Ver­enigde Naties.

De blokkade heeft politieke doelen van de Verenigde Staten op geen enkele manier naderbij gebracht. President Obama geeft dit nu zelf toe. Eén van de resul­taten van de nieuwe politieke situatie is dat de regering van de Ver­enigde Staten beloofde dat zij Cuba van de lijst zouden schrappen van landen die terro­ris­me steunen. Dat gebeurde inmiddels op 29 mei 2015.

Cuba heeft nooit terrorisme gesteund: Cuba en de Cubaanse bevolking zijn zelf slachtoffer van terroristische aanslagen. In totaal zijn 5577 mensen op Cuba door deze aanslagen gewond geraakt of gedood. De stap die is gezet om Cuba van deze lijst af te halen is een zeer recente ontwikkeling, naast de nagestreefde en mogelijke opheffing van de blokkade.

President Raúl Castro benadrukte tijdens de conventie van de Amerika’s in Pana­ma, en ook tijdens andere momenten, dat internationalisme, solidari­teit, en de princi­pes van de Cubaanse Revolutie altijd leidend zullen zijn voor de Cubaanse bevolking, en dat we deze principes nooit zullen verloo­chenen. Geen trans­itie, maar het versterken van de Revolutie. Cuba zal altijd zijn soeverei­niteit en recht op zelfbeschikking verdedigen.

Een van de sterkste punten van dit proces van het herstel­len van de relatie is in elk geval dat beide zijden hun verhaal op een zeer respectvolle manier naar elkaar heb­ben kunnen uitwisselen. Er zijn geen voorwaarden of andere soort drukmiddelen ge­bruikt en dat betekent dat we op gelijkwaardige en soeverei­ne basis aan het onderhandelen zijn, volgens het VN Handvest en het inter­nationaal recht.

4. Is de kans aanwezig dat de Amerikanen Guantánamo zullen verlaten? Hoe zit het precies met de opheffing van de blokkade?

Fermín: Guantánamo is een belangrijk punt, omdat het hier om een belangrijk grondgebied gaat dat onrechtmatig aan de VS is gegeven. Guantánamo Basis moet terug­gegeven worden aan wie het toebehoort: aan het Cubaanse volk en het Cubaan­se territorium, en dat is zeer belangrijk in het proces van het normalise­ren van de relatie tussen onze beide landen. Cuba zal de de strijd voor de teruggave van Guantánamo niet opgeven, en dit moet zeer duidelijk zijn voor de inter­nati­onale gemeenschap.

Wat betreft de blokkade, in lijn met wat ik al eerder zei: er zijn slechts kleine maatregelen getroffen. De blokkade is nog steeds intact. President Barack Obama moet nog meer stappen nemen in het licht daarvan. Hij kan meer maatregelen treffen om de blokkade te verminderen, terwijl er een serieuze discussie plaatsvindt in het Congres om dit onzinbeleid te beëindigen.

Na 17 december is de implementatie van de blokkade tegen Cuba onveranderd gebleven. Eén van de meest schrikbarende voorbeelden daarvan blijkt uit de boete van 1710 miljoen dollar tegen de Duitse Commerzbank, en de boete van 7.658.300 dollar tegen het Amerikaanse bedrijf PayPal.

Onder de regering van president Obama is de blokkade verder verscherpt en zijn haar territoriale maatregelen versterkt door het uitdelen van boetes aan 42 Amerikaanse en buitenlandse bedrijven, alles bij elkaar met een waarde van 13.279.148.196 dollar.

Alhoewel president Obama met zijn beslissing om Cuba van de zogenaamde lijst van staten die internationaal terrorisme steunen af te halen een daad van historische rechtvaardigheid beging, een lijst waarop Cuba in de eerste plaats niet hoorde te staan, betekent dit nog niet het einde van alle moeilijkheden die komen kijken bij alle verboden en restricties door de blokkade tegen ons land.

De blokkade is een illegale en een vijandige daad. Het is het hoofdobstakel voor de normalisatie van de verhouding tussen Cuba en de VS. Cuba kan niet vrij exporteren, noch kan het producten en diensten importeren van en naar de VS, die een natuurlijke markt zijn omdat het zich in onze geografische regio bevindt. We kunnen geen gebruikmaken van de dollar in onze interna­tionale financiële transacties of bankrekeningen hebben in deze valuta in derde landen. Ik kan veel voorbeelden geven die de wreedheid van de blokka­de aantonen en hoe schadelijk het is geweest voor de bevolking van Cuba, maar dan zouden we uren verder zijn, en waarschijnlijk niet stoppen met praten.

Het is ongelooflijk dat de internationale gemeenschap al 20 jaar pleit voor het opheffen van de blokkade, en dat er nog steeds niets is gebeurd.

Op 27 oktober, niet ver in de toekomst, zal Cuba zijn jaarlijkse roep aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, om de economische, commer­ciële, en financiële blokkade van de Verenigde Staten op te heffen, herha­len. Wij verwach­ten wederom de steun van de meer­derheid van de landen over de gehele we­reld.

De nieuw opgestelde resolutie die gepresenteerd zal worden houdt er reke­ning mee dat er nieuwe bilaterale omstandigheden zijn waarin Cuba en de Verenigde Staten zich begeven. Wij verwelkomen hierin het herstellen van diplomatieke betrekkingen en erkennen de bereidheid van de president van de Verenigde Staten om de blokkade op te heffen.

Wij zijn ervan overtuigd dat vroeg of laat dit beleid aan zijn einde zal komen, en dat wanneer dat moment zover is, de mensheid nooit het heldhaf­tige verzet van de Cubaanse bevolking zal vergeten.

5. Weet u zeker dat Raúl “terug naar de kerk gaat als de paus zijn progres­sieve weg verder vervolgd?” Is dit een van de stappen om de confrontatie te verminderen? 

Fermín: Het belangrijkste is de rol van de paus te erkennen bij het schep­pen van een heldere en respectvolle omgeving voor de dialoog tussen de VS en Cuba. Wij zijn de paus zeer dankbaar voor wat hij heeft gedaan om beide regerin­gen dichter bij elkaar te brengen en de bilaterale relatie te her­stellen. Ondanks wat sommigen beweren heeft Cuba geen con­flict met de Katho­lieke Kerk, noch met andere religies in en buiten Cuba. De samenwer­king tussen religieuze en niet-religieuze mensen in en buiten de Commuis­tische Partij van Cuba is altijd heel goed geweest.

Het idee van onze kant is om de paus te blijven steunen in het helpen van de armen en het bevechten van honger en armoede. Het bezoek van de paus aan Cuba in september was een groot succes en had grote betekenis voor het Cu­baanse volk.

Paus Franciscus was zeer welkom in ons land en hij uitte zijn dank voor de manier waarop hij werd verwelkomd. Op Cuba worden alle bezoekers altijd warm ontvangen.

6. Hoe is de politieke en economische situatie op Cuba zelf op het moment? Verloopt het ‘updaten’ van de Revolutie succesvol?

Fermín: Cuba moet zichzelf zien te plaatsen in een toenemend complexere wereld die nieuwe standaarden van duurzame economische groei en structu­rele veranderingen voorstaat. Bovendien moeten we dat proces in overeenstemming brengen met de socialistische concepten waarin wij geloven.

Het updaten van de Revolutie is zeer succesvol geweest op Cuba: de situatie is ten goede veranderd voor de bevolking en voor de economie. Er zijn nog steeds veel problemen, maar de Cubaanse bevolking realiseert zich dat zij zelf een belangrijke rol moet spelen in het verbeteren van de situatie op Cuba.

Er is kortgeleden een wet ingevoerd die het makkelijker maakt voor be­drij­ven om te investeren op Cuba: dit is de nieuwe Cubaanse Investerings­wet, die geüpdatet is met het doel onze economie op te bouwen. Toen ik kortgele­den Neder­landse toeristen en ondernemers vroeg wat hen opviel aan de Cu­baanse maat­schappij, zeiden ze dat ze vonden dat het land elke keer als zij terug­kwamen ten goede was veranderd.

Op dit moment verwachten we op Cuba 4 procent economische groei. Dit is goed, hoewel we nog steeds interne en externe problemen moeten overwinnen. De blokkade van de VS tegen onze bevolking blijft nog steeds van kracht. Deze blokkade doet ernstige schade aan het materiële, psychologische, en spiri­tuele welzijn van de Cubaanse bevolking en belemmert de economische, cultu­rele, en sociale ontwikkeling. Er is geen enkel deel van de economi­sche en sociale activiteiten van het Cubaanse volk dat geen last heeft van de vernietigende en destabiliserende werking van dit illegale beleid.

We moeten zorgvuldig de verworvenheden van de Revolutie blijven verde­di­gen zoals: onderwijs, publieke gezondheidszorg, en vele andere zaken waar onze bevolking voordeel bij heeft. Economische groei, echter, is een abso­lute noodzaak. Dit is waarom voor de Cubaanse economie de sleu­telwoor­den ‘duur­zaamheid’ en ‘welvaart’ zijn, naast modernisatie en toege­nomen produc­tivi­teit.

Toerisme is een belangrijk deel van onze economie. Het aantal toeristen dat naar Cuba is gekomen is gegroeid met 14 procent sinds het eerste kwartaal van 2015. Afgelopen jaar bezochten meer dan 3 miljoen mensen ons eiland – een record.

In de context van goede bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Cuba, namen er afgelopen april 20 Nederlandse bedrijven deel aan een handels­missie naar Cuba. Sommige van deze bedrijven onderzochten de mogelijkheden hun banden te versterken op het gebied van onder meer de toerismesector, de agrarische sector en infra­struc­tuur. Ik denk dat dit een nieuwe positieve stap is tussen Nederlanders en Cubanen met positieve resultaten voor beide zijden. Ik ben ervan over­tuigd dat er veel gebieden zijn waarin we kunnen samenwerken.

In andere sectoren is de eigendomsstructuur op Cuba veranderd. Er zijn meer kleine bezitters, en meer coöperatieven in de agrarische en dienstensecto­ren, alhoewel de planeconomie nog steeds de focus is van de Cubaanse econo­mie. Industrialisatie en modernisering blijven een zeer belangrijk perspec­tief voor de hedendaagse Cubaanse economie. Daarom is een andere focus het ontwik­kelen van hightechmachines en apparatuur. Dit is voor de toe­komst zeer belang­rijk. Daarnaast is de productie van voedsel op de boerde­rijen, om zelfvoor­zienend te zijn, een strategische prioriteit voor Cuba.

7. Hoe zit het met de politieke steun van de meerderheid van de Cubaanse bevolking? We zagen op 1 mei een zeer grote demonstratie op Cuba. Hoe zit het met de gecompliceerde situatie van de steun van de Cubaanse jeugd voor de Revolutie? 

Fermín: De steun voor de Cubaanse Revolutie is nog steeds erg groot: er was een opkomst van 88,3 procent bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen. Dit ge­beurt in een land waar kiezen niet verplicht is. De bevolking maakt actief deel uit van de politieke activiteiten, en zijn actoren in de poli­tieke en economi­sche processen van ons land. Op 1 mei was er een hoge opkomst: grote demonstra­ties tonen aan dat de bevolking nog steeds de Revolutie steunt; 1 mei is ook altijd een goede gelegenheid voor mensen om iets te vieren en zichzelf te vermaken. De resultaten van de maatregelen zullen zichtbaar zijn. Cuba heeft buitenlandse investeerders nodig, maar deze ontwikkeling zal gecontroleerd door de staat plaatsvinden, en op basis van de noodzaak en strate­gieën ondersteund worden door de natie.

De jeugd op Cuba is zeer geïntegreerd in onze samenleving. Zij participeert in het regerings- en het beslissingsproces door middel van de ver­schillende sociale structuren en organisaties. Op Cuba speelt de jeugd een zeer be­langrijke rol in het opbouwen van een nieuwe samenleving. Er is bij­voor­beeld de Communistische Jongeren Liga. Het lidmaatschap hiervan is vrij­willig, en dat is correct. Onze benadering van de jeugd is van het grootste belang, omdat zij de toekomst is van ons land.

Desondanks staan we voor ingewikkelde kwesties, zoals in elk land. Met betrekking tot de jeugd kunnen we niet werken met oude structuren: de wereld is veranderd op allerlei manieren, en we moeten onze benadering gericht op de jeugd updaten. Het is heel makkelijk voor mensen om informa­tie te verkrijgen vandaag de dag: informatie kan zich snel verspreiden, en daar moeten we gebruik van maken. Ik geloof dat de geschiedenis de jeugd de basis geeft om een succesvolle toekomst op te bouwen: kennis van haar ge­schiedenis geeft haar de controle over de toekomst. Het is noodzakelijk om onze structuren te veranderen. Om met nieuwe, maar ook met oude methodes te werken.

8. Heeft u nog een speciale boodschap voor de lezers van Manifest? 

Fermín: Aan al onze kameraden en lezers van Manifest: wij vragen jullie om door te gaan met jullie steun voor Cuba en de Cubaanse Revolutie, en de waarheid en realiteit te verspreiden over Cuba. Stop niet met het promoten van de sociale idealen van de Revolutie, die niet slechts voor het Cubaanse volk gemaakt zijn, maar voor iedereen die gelooft dat een betere toekomst mogelijk is.

Interview door Wil van der Klift; uitwerking Kevin Leijn.
Verschenen in Manifest

Gelukkig weer terug

20151003_124123

20151003_124123Willem even op Krukken. Na een verblijf van een kleine week in het ziekenhuis ben ik weer paraat. De Marktkraam moet bijgevuld worden! Dus hup ernaar toe.

Dit is een voorbeeld van een Bio-Fair-Trade-Food pakket,
al vanaf 25 euro.
Het hele jaar door20151003_125341 te bestellen, als leuk cadeau, voor een speciaal moment, ook zelf samen te stellen.
Vanaf 5 pakketten worden ze gratis thuis bezorgd.

Deze producten zijn te koop in Jouw Marktkraam, Ophelialaan 151, Aalsmeer (tegenover de Jumbo).

PS 10% van de verkoop gaat naar het MicroKrediet Project voor Cuba.

 

 

Even naar het ziekenhuis

150619_willem_markt
150619_willem_marktBeste Familie en Vrienden,
Vandaag kreeg ik in het ziekenhuis te horen dat mijn grote teen morgen
geamputeerd moet worden. (dindag 29-sept 2015)
Omdat ik diabeet ben en al 15 jaar isuline spuit, wilde de open wond onder mijn voet,( ook niet met
antibiotica,) genezen.

Ik ben er nu bijna 5 maanden mee bezig…!
Omdat het bot nu wordt aangetast is het veiliger de grote teen er af te halen, om erger
te voorkomen.
Ik heb er vrede mee en vertrouw dit toe aan de medicus in het Diaconesse Ziekenhuis in Leiden.
Maak jullie geen zorgen, zodra ik weer thuis ben uit het ziekenhuis, laat ik weer van me horen.
Een warme omhelzing en groeten aan een ieder.
Willem Veldhoven.

Actie Microkrediet gaat door!

DSCF1669

150619_willem_marktWillem Veldhoven blijft zich onvermoeibaar inzetten voor de Microkrediet-actie op Cuba. Er zijn talloze Cubanen die graag een eigen bedrijfje willen beginnen of hun huis willen verbouwen, maar net die – voor ons – paar Euro niet hebben om van start te gaan.

Het geld wordt verstrekt als een lening en moet worden terugbetaald, zodat daarna ook anderen weer kunnen profiteren van een microkrediet.

 

STEUN DE ACTIE EN DONEER!

Alle bijdragen zijn meer dan welkom.

Alle donateurs worden uitvoerig op de hoogte gehouden van de vorderingen.
Laat de Cubanen niet in de steek, want ondanks alle mooie worden uit de VS blijft de onrechtvaardige  economische boycot van kracht.

MEER INFORMATIE VINDT U HIER >>>>>

Cuban 5 VRIJ!!!

cuban5_vrij

Eindelijk is het zover: de Cuban 5 zijn allemaal vrij en terug op Cuba.

De onwettige sancties hebben Cuba niet op de knieën gekregen en het terrorisme tegen Cuba en zijn leiders heeft niet gezegevierd.
Een mooi bericht in sombere tijden.

 

 

 

Marquez en de Cuban 5

Castro-Marquez

Gabriel Garcia Marquez, the famed Colombian novelist who died April 17, 2014, played a fascinating cameo role in the story of the Cuban Five. In the spring of 1998, he carried a secret message about a terrorist plot against Cuba from Fidel Castro to Bill Clinton. That session led to an unprecedented sit-down between the FBI and Cuban State Security in Havana in June 1998. And it was those meetings that triggered the events that ultimately led to the arrest of the Cuban Five on September 12, 1998. 
You can learn more about that backstory in this excerpt from What Lies Across the Water: The Real Story of the Cuba Five.

Havana, April 18, 1998
Gabriel García Márquez needed to call Bill Richardson. Immediately. He needed to let the American ambassador to the United Nations know that plans for his upcoming visit to Washington had taken a sudden, “unforeseen and significant turn.” García Márquez, the Nobel Prize-winning author, had stopped in Havana for a few days on his way to the United States to clear up some literary loose ends.

He was writing an article about Pope John Paul’s recent visit to Cuba. When the Pope made his historic speech three months before to hundreds of thousands of Cubans — believers and non-believers alike — García Márquez had been a front-row guest of Cuban President Fidel Castro in Revolution Square. It had been a fascinating speech. The Pope had publicly called for the release of Cuba’s political prisoners while chastising the United States for its ongoing blockade and attacking what he described as a “capitalist neo-liberalism [that] subdues human beings and nations’ development to the blind forces of the market.” García Márquez was looking forward to writing more about its larger meaning.

Given that García Márquez and Castro had been friends for decades, it was hardly surprising the author would visit the Cuban leader during this stopover in Havana. Or even that Castro would ask his well-connected friend to carry a message for him to another of the novelist’s good friends, United States President Bill Clinton.

What was surprising — shocking, even horrifying — was the content of the message Castro wanted him to deliver to the president of the United States. Cuba had just discovered what Castro would describe as a “sinister terrorist plot” against Cuba, and he wanted Bill Clinton to know about it so he could take appropriate action. But Castro didn’t want to put this information in an official letter in order “to avoid putting Clinton in the predicament of giving an [official] answer.”

Instead, Castro had prepared a written summary of the plot and “other subjects of mutual interest,” which Márquez could crib from when he spoke to Clinton. The note, entitled “Summary of Issues That Gabriel García Márquez May Confidentially Transmit To President Clinton,” touched on seven different subjects, but it was “Point 1” that really mattered: “Plans for terrorist actions against Cuba continue to be hatched and paid by the Cuban American National Foundation using Central American mercenaries… Now, they are plotting and taking steps to set up bombs in planes from Cuba or any other country’s airline carrying tourists to, or from, Cuba to Latin American countries.”

Thanks to Cuba’s many and various intelligence agents inside the many and various plots, Castro was able to describe the plan in detail. The bombers intended to “hide a small device at a certain place inside the plane — a powerful explosive with a fuse controlled by a digital clock that can be programmed 99 hours in advance.”

While the immediate threat was against Cuba, Castro predicted that the simple, “really devilish procedures” involved and the use of components “whose detection is practically impossible” made such attacks so easy “they might become an epidemic as the hijacking of planes once became.

“The American investigation and intelligence agencies are in possession of enough reliable information on the main people responsible,” Castro’s note concluded, throwing down the gauntlet. “If they really want to, they have the possibility of preventing… this new modality of terrorism. It will be impossible to stop it if the United States doesn’t discharge its fundamental duty of fighting it. The responsibility to fight it can’t be left to Cuba alone since any other country of the world might also be a victim of such actions.”

Now, García Márquez picked up the telephone. He had promised to call Richardson a week before he was to arrive in the United States to find out whether Richardson had been successful in lining up his meeting with Clinton. But now it was no longer “a simple personal visit.” On the phone he explained to Richardson he was carrying an “urgent” message for the president.

“Out of respect for the agreed secrecy I didn’t mention on the phone who was sending it,” García Márquez would write later, though he assumed Richardson would make the connection, “nor did I let it transpire that a delayed delivery could be the cause of major catastrophes and the death of innocent people.” He also didn’t mention the “two unwritten questions” Castro had suggested he could raise face-to-face with Clinton “if the circumstances were propitious.”

Washington, May 6, 1998
“After a warm embrace,” Gabriel García Márquez would write in his report to Fidel Castro, “he sat in front of me with his hands on his knees and started speaking with a common phrase so properly said that it rang of truth: ‘We are at your disposal.’” But the man sitting across from him in the White House this morning was not — as both he and Castro had hoped — U.S. President Bill Clinton. It was Clinton’s oldest and closest friend, Thomas Mack McLarty, the president’s advisor on Latin America.

Clinton was still in California and would be for another day. García Márquez had only discovered that after he’d arrived in Washington from Princeton six days before. A staffer from Bill Richardson’s United Nations ambassador’s office had suggested he meet with the president’s National Security Advisor Sandy Berger instead. García Márquez had met Berger in September 1997 during an earlier face-to-face meeting with Clinton. Berger had seemed to be on the same wavelength as his boss on the issue of Cuba, but should he agree to meet with him instead of the man he’d been sent to meet?

García Márquez worried Richardson might be “interposing conditions” to prevent his message from getting directly to his intended recipient. If it was just a matter of timing in terms of meeting with the president himself, García Márquez told the staffer, he’d be glad to delay his own scheduled departure for Mexico by a day or two. We’ll let the president know, the aide replied.

García Márquez passed that message on to Cuba’s diplomatic representative in Washington who used a “special envoy — confidential communications are so slow and hazardous from Washington” — to convey the latest developments to Havana. “The response was a gentle request to wait in Washington for as long as necessary to fulfill my mission,” García Márquez wrote. “At the same time I was humbly asked to be most careful to avoid offending Sam Berger for not accepting him as an interlocutor. The funny end of the message [from Havana],” he added, “left no doubt about the author, even without a signature: ‘We wish you can write a lot,’” it read.

García Márquez, for his part, was “not in a hurry.” During his literary workshop at Princeton, he had managed to produce “20 useful pages” on the memoir he was writing. And “the pace had not diminished in my impersonal room at the Washington hotel where I spent up to 10 hours a day.” He would write, eat his meals and receive occasional visitors in the room.

One reason he rarely went out — even to enjoy the city’s spring blossoms — was the sobering reality that he had placed Fidel Castro’s written message for Bill Clinton inside his hotel room safe, and “it had no combination lock but a key that seemed to have been bought at a convenience store around the corner. I always carried it in my pocket and, after every inevitable occasion in which I left my room, I checked that the paper was still in its place and in the sealed envelope… Just the idea that I could lose it sent shivers down my spine, not so much for the loss itself as for the fact that it would have been easy to identify its source and destination.”

Two nights earlier, however, García Márquez had agreed to attend a private dinner at the home of former Colombian president Cesar Gaviria. Gaviria had invited McLarty and his wife because she was eager to talk to the famous author about “some points” in his books.

After dinner, Gaviria — who knew the outlines of the message García Márquez was carrying — arranged for him to have a private chat with McLarty. “He did not conceal his apprehension over the terrorist plan,” Márquez noted, “even if unaware of the atrocious details.” McLarty said he hadn’t known about García Márquez’s request to speak directly to Clinton but promised to pass on the message.

The next morning, García Márquez sent another message to Havana. If he couldn’t get to see the president himself, he asked, should he deliver the message to McLarty or to Berger. Havana’s response “seemed to be in favor of McLarty, but always [being] careful not to offend Berger.” In the end, the Cubans were happy to let García Márquez follow his instincts. “We trust your talents,” the message said. García Márquez would call that “the most engaging consent that I have ever been given in my life.”

After lunch with McLarty’s wife — they hadn’t found the time to talk at dinner the night before — the White House called García Márquez to tell him a meeting had been arranged for him the next morning with McLarty and three senior officials from the National Security Council. There’d been no mention of Berger. Had García Márquez’s phone been tapped, or the communications between Havana and Washington been intercepted? He could only guess.

The next morning at 11:15 a.m., García Márquez was ushered into McLarty’s office at the White House, where he was introduced to the three NSC officials: “Richard Clarke, leading director of multilateral affairs and presidential advisor on all subjects of international policy, especially for the fight on terrorism and narcotics; James Dobbins, senior director at the NSC for Inter-American affairs with the position of ambassador and presidential advisor on Latin America and the Caribbean; and Jeff Delaurentis, director of Inter-American affairs at the NSC and special advisor on Cuba… The three officials were gentle and highly professional.”

There was none of the pro forma sabre-rattling or posturing that often opened such gatherings, García Márquez noted with satisfaction. There was “no mention of democratic reforms, free elections or human rights, nor any of the political clichés with which Americans pretend to condition any project of cooperation with Cuba. On the contrary,” García Márquez reported hopefully, “my clearest impression of this trip is the certainty that reconciliation is beginning to grow as something irreversible in the collective consciousness.”

The preliminaries out of the way, McLarty joined them from another meeting, and Márquez proceeded to outline the circumstances that had brought him to the White House today. He then handed McLarty the envelope with Fidel’s translated letter — six double-spaced pages covering seven topics.

McLarty quickly read the note, saying nothing, “but his changing emotions showed on his face as light in the water,” García Márquez would report back to Castro. “I had read it myself so many times that I could practically know which of his expressions corresponded to the different points in the document. The first point, about the terrorist plot, made him grumble and he said: ‘It’s terrible.’ Later, he suppressed a mischievous smile and, without interrupting his reading he said: ‘We have common enemies.’ I think he said it referring to the fourth point, where a description is made of a group of senators plotting to boycott the passage of the Torres-Rangel’s and Dodd’s bills and appreciation is expressed about Clinton’s efforts to save them.”

Once all had absorbed Castro’s message, the rest of the meeting focused, understandably, on the threat to blow up the planes, “which made an impression on everyone.” García Márquez understood why. He’d had to overcome his own “terror over a bomb explosion as I was flying to Mexico after having learned of it in Havana.”

García Márquez knew the circumstances were “propitious” to raise the two unwritten questions Castro had asked him to raise and that García Márquez had carefully written in his organizer as “the only thing I was afraid to forget.” The first question: “Wouldn’t it be possible for the FBI to contact their Cuban counterparts for a joint struggle on terrorism?” Though it wasn’t part of the unwritten question, García Márquez added “a line of my own making: ‘I’m sure that you’d find a prompt and positive reaction on the part of the Cuban authorities.’”

García Márquez was amazed at the “quick and strong reaction” of the NSC officials. Richard Clarke, for one, thought it would be a very good idea. But he cautioned that the FBI wouldn’t be keen if information about such cooperation leaked out during an investigation. Would the Cubans be willing to keep the information a secret?

García Márquez couldn’t help but smile. “There is nothing that the Cubans like better than keeping secrets,” he replied.

His second question wasn’t so much a question as a suggestion, a diplomatic opening: “Cooperation in matters of security,” Castro had suggested, “could open the way to a propitious climate leading to the resumption of American travels to Cuba.” García Márquez told his hosts he had personally met Americans from all strata of society who — knowing his friendship with Castro — asked for his help in making contacts for business or pleasure in Cuba. “I mentioned Donald Newhouse, editor of various journals and chairman of the Associated Press, who treated me to a lavish dinner at his countryside mansion in New Jersey at the end of my literary workshop in Princeton University,” García Márquez reported. “His current dream is traveling to Cuba to discuss with Fidel personally the establishment of a permanent AP bureau in Havana, similar to CNN’s.”

By the end of their meeting, which had lasted just 50 minutes, Clarke had promised the NSC would take “immediate steps for a joint U.S.-Cuba plan on terrorism.” Dobbins made a note in his pad that he would “communicate with their embassy in Cuba to implement the project.” Embassy? García Márquez joked that Dobbins had promoted the United States Interest Section in Havana to a new level in America’s foreign affairs hierarchy.

“What we have there is not an embassy,” Dobbins replied with a laugh, “but it is much bigger than an embassy.”

“They all laughed with mischievous complicity,” García Márquez reported.
And then it was over. “I know that you have a very tight agenda before you get back to Mexico and we have also many things ahead,” McLarty said. Then, looking him in the eye, he added: “Your mission was in fact of utmost importance, and you have discharged it very well.”

García Márquez couldn’t help but be pleased. “Neither my excessive honor nor my absence of modesty,” he reported to Castro, “has allowed me to abandon that phrase to the ephemeral glory and the microphones hidden in flower vases.” More importantly, “I left the White House with the firm impression that the effort and the uncertainties of the previous days had been worthy. The annoyance for not having delivered the message personally to the President had been compensated by a more informal and operative conclave whose good results would be forthcoming.” Gabriel García Márquez had done his part.

The complete book is available from the publisher, Fernwood, or fromAmazon.ca. It is also available as an ebook

 

CELAC: Cubaans voorzitterschap succesvol afgesloten

celac_2014

Op 28 en 29 januari vond in Havana, op Cuba, de Tweede Top plaats van staatshoofden en regeringsleiders van de CELAC (Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten).
Deze werd op 26 en 27 januari voorafgegaan door een ontmoeting van ministers van Buitenlandse Zaken. De CELAC wordt gevormd door 33 lidstaten, die tijdens de top overweldigend vertegenwoordigd waren.
De opperbevelhebber van het Cubaanse leger, Raúl Castro Ruz, president van de Raad van State en Ministers van de Republiek Cuba, benadrukte in zijn slottoespraak de ernst en verantwoordelijkheid waarmee Cuba het voorzitterschap van de CELAC heeft uitgevoerd. Namens de regering en het hele Cubaanse volk bedankte hij alle aanwezigen voor de waardevolle steun die Cuba bij de uitvoering van het voorzitterschap heeft gekregen en hij bedankte hen voor hun deelname aan de “brede en diepe discussies deze dagen over de grootste zorgen van onze landen”. Hij zei ook: “De documenten die tijdens deze Tweede Top/Conferentie zijn aangenomen, hebben onze verplichting aan de waarden die hebben geleid tot de oprichting van de CELAC opnieuw bevestigd, evenals onze sterke overtuiging dat eenheid te midden van verscheidenheid en de Latijns-Amerikaanse en Caribische integratie de enige levensvatbare alternatieven zijn voor deze regio. We hebben belangrijke afspraken gemaakt over gezamenlijke, overstijgende onderwerpen, zoals het bevorderen van een ‘Zone van Vrede’ in de regio en de regels en voor schriften die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de intra- en extraregionale samenwerking tastbare gevolgen heeft voor onze hele gemeenschap.” Raúl Castro zei in zijn slotrede dat CELAC tijdens de Tweede Top “onder meer heeft herbevestigd dat de lidstaten onvoorwaardelijk de Doelen en Principes in het Handvest van de Verenigde Naties en het Internationaal Recht respecteren. Ook is opnieuw bekrachtigd dat om armoede te kunnen uitroeien het veranderen van de huidige wereldeconomie een voorwaarde is, evenals het bevorderen van solidariteit en samenwerking, en het eisen van het nakomen van de verplichtingen die zijn aangegaan met betrekking tot ontwikkelingssteun aan landen. De CELAC heeft ook het belang benadrukt van de permanente zelfbeschikking van staten over hun natuurlijke bronnen. Ons doel is de beste manieren te vinden om dat recht werkelijkheid te laten worden.”
Hij voegde eraan toe: “We hebben ook onze vastberadenheid uitgesproken om samen te werken om de uitdagingen die de internationale situatie met zich meebrengt het hoofd te bieden en ons tot het uiterste in te spannen om gelijkheid en sociale inclusie te bevorderen en discriminatie, ongelijkheid, marginalisatie, schending van de mensenrechten en inbreuk op de rechtsstaat uit te bannen”.
Namens Cuba zei Raúl Castro dat zijn land hard zal blijven meewerken in de CELAC om het proces van consolidatie van die organisatie te bevorderen. Cuba droeg het tijdelijk voorzitterschap van de CELAC over aan de president van Costa Rica, Laura Chinchilla, die Cuba bedankte en beloofde zich tijdens haar voorzitterschap te blijven inzetten voor de doelen van de organisatie.
Terugkijkend kunnen we zeggen dat deze historische en succesvolle gebeurtenis opnieuw de wens voor vrede, respect en integratie heeft getoond van de volkeren van Latijns-Amerika en de Cariben.
De Top kende ook zeer emotionele momenten, tijdens het eerbetoon aan de overleden Venezolaanse president Hugo Chávez Frias, een van de oprichters van de CELAC, en de herinneringen aan de ontmoetingen van Fidel Castro Ruz met vele van de aanwezige staatshoofden en regeringsleiders.

3 februari 2014

Zelmys Maria Dominguez Cortin
Ambassadeur van de Cubaanse Republiek in Nederland

Vertaling J. Bernaven

(Manifest 2, 2014)

WHO wijst op Cubaanse biotechnologische ontwikkeling in de strijd tegen kanker

cuba_gezondheid

De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization- WHO) benadrukt de vooruitgang van Cuba in de ontwikkeling en de uitoefening van biotechgeneesmiddelen om kanker te behandelen, de tweede belangrijkste doodsoorzaak in het land na hart- en vaatziekten. Het enorme voordeel van deze investering in biotechnologie voor de gezondheidszorg uit zich in betaal bare geneesmiddelen om ziekten te bestrijden, waarvan de omvang exponentieel toeneemt in landen met lage en middeninkomens, zei Dr. Jose

Luis Di Fabio, directeur van de WHO-vestiging op Cuba, de vertegenwoordiger van dit instituut van de Verenigde Naties, benadrukt dat op dit moment meer dan 90 producten worden onderzocht in meer dan 60 klinische proeven en het valt te verwachten dat deze aantallen nog hoger worden.
In het kader van de Werelddag van de strijd tegen kanker, elke 4 februari, benadrukte de WHO dat het Ministerie van Volksgezondheid van het land in 2008 het eerste therapeutische vaccin registreerde voor gevorderde longkanker, Nimotuzumab, ontwikkeld door het Moleculair Immunologisch Centrum (CIM). Dit instituut is een van de meest vergevorderde centra op het gebied van de bio -technologie op Cuba en is gespecialiseerd in behandelingen en therapeutische vaccins tegen kanker. Nimotuzumab is een gehumaniseerd monoklonaal antilichaam dat bindt aan bepaalde moleculen die specifiek zijn in kankercellen. Het doel van dit monoklonale antilichaam is een eiwit dat ongecontroleerde groei en deling van cellen kan veroorzaken. Nu is het geneesmiddel onderwerp van klinische proeven in Japan en Europa, aldus de WHO. Begin 2013 werd een tweede Cubaans vaccin tegen hetzelfde type kanker gepatenteerd, Racotumomab. Ondanks de economische problemen handhaaft de regering van het eiland zijn politieke en financiële steun voor de biotechnologie. De WHO benadrukt dat op dit moment de biotechindustrie 1200 patenten heeft en farmaceutische producten en vaccins verkoopt in meer dan 50 landen. De export gaat omhoog en genereert honderden miljoenen dollars, zegt de WHO. De preventie, diagnostiek, behandeling en palliatieve zorg (symptoombestrijding, noot vertaler) voor mensen met kanker is mogelijk omdat Cuba een integraal zorg plan tegen ziektes heeft dat universele toegang verzekert tot alle niveaus van de gezondheidszorg, benadrukt de WHO. Een versterkt eerstelijns-gezondheidszorgsysteem maakt reguliere patiënten zorg en het in een vroeg stadium opsporen van gezondheidsproblemen mogelijk, voegt de WHO eraan toe. Wanneer wordt vermoed dat een persoon aan een tumor lijdt wordt deze doorverwezen naar gespecialiseerde centra om de diagnose te stellen voor een passende behandeling, benadrukt de organisatie van de Verenigde Naties.

(Bron: Manifest, no 32, 16 jan 2014)